Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren (2016 tot en met 2018) in Duitsland en genoot uitsluitend verschillende Nederlandse (pensioen)uitkeringen. In zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor deze jaren heeft belanghebbende aangegeven dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (KBB) in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016-2018) moet worden aangemerkt. De Inspecteur wijkt bij de aanslagregeling hiervan af, omdat belanghebbende niet de vereiste inkomensverklaring in de vorm van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring (hierna: een modelverklaring) heeft overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat het voor belanghebbende onmogelijk is geweest om tijdig een modelverklaring te verkrijgen. Naar nationaal recht beoordeeld is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 21bis, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016-2018).
Het Hof heeft terecht overwogen dat de wettelijke KBB-regeling moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht. Het Unierecht staat er niet aan in de weg dat de wet in dit
geval voorschrijft dat een belastingplichtige bewijsstukken moet verstrekken aan de hand waarvan duidelijk en voldoende nauwkeurig kan worden beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden om als KBB te worden aangemerkt. Het Unierecht verzet zich naar het oordeel van het Hof echter tegen een te formalistische toepassing van de bewijsregel dat uitsluitend een modelverklaring kan dienen als bewijs: de Inspecteur had aan de hand van de door belanghebbende verstrekte bewijsmiddelen moeten beoordelen of voldoende duidelijk en nauwkeurig kan worden nagegaan dat materieel is voldaan aan de voorwaarden om als KBB te worden aangemerkt. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, wordt dit volgens het Hof niet anders door de omstandigheid dat niet is gebleken dat het voor belanghebbende onmogelijk is geweest om modelverklaringen te verkrijgen.
Gelet op de wijziging van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 per 1 januari 2026 waarin het verstrekken van een inkomensverklaring niet langer een randvoorwaarde is om in aanmerking te komen voor de KBB-regeling, is besloten om tegen de onderhavige uitspraak geen beroep in cassatie in te stellen. Daarbij acht ik van belang dat in de onderhavige zaak feitelijk is komen vast te staan dat, uitgaande van de rechtsopvatting van het Hof, aan de hand van de door belanghebbende overgelegde documenten aannemelijk is geworden dat belanghebbende voldoet aan alle (materiële) voorwaarden om als KBB te worden aangemerkt. In zoverre verschilt de zaak van belanghebbende van de zaak die voorlag in de procedure waarin het Hof op 8 oktober 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2780, uitspraak heeft gedaan. Het oordeel van het Hof zal door de Belastingdienst als richtsnoer worden genomen bij de behandeling van nog niet onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen. Daarbij blijft conform de wettelijke regeling van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 (tekst vanaf 2026) de inkomensverklaring het voorkeursbewijs.
Voor de goede orde merk ik op dat de op de dag van de uitspraak van het Hof reeds onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen door de werking van artikel 45aa, onderdelen b en c, van de Uitvoeringsregeling IB 2001 (URIB 2001) niet in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering. De uitspraak van het Hof vormt nieuwe jurisprudentie, waarvoor ingevolge artikel 45aa, onderdeel b, URIB 2001 geen ambtshalve vermindering wordt verleend. Mijn herziene standpunt vormt nieuw beleid waarvoor ingevolge artikel 45aa, onderdeel c, URIB 2001, ambtshalve vermindering evenmin mogelijk is.
Bron
– https://open.overheid.nl/details/f154d977-9497-45c2-8209-d02226bd3d6c
www.robelco.nl
