Meest recente blogberichten

De deadline voor het aanvragen van toeslagen over 2025 is verruimd met 4 maanden. Mensen kunnen nog tot en met 31 december 2026 huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget aanvragen over vorig jaar.

Hoe lang kunnen mensen toeslagen aanvragen?
Voorheen kon iedereen tot en met 1 september van het lopende jaar huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget aanvragen over het jaar ervoor. Vanaf dit jaar is dat anders. Mensen kunnen na afloop van een jaar nog een heel jaar checken of ze recht hebben op toeslagen. En deze meteen aanvragen. Ook is het zo mogelijk om toeslagen aan te vragen op basis van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2025. Veel mensen krijgen die deze zomer.

Voor personen en ondernemers met uitstel voor hun belastingaangifte geldt een uitzondering. Zij kunnen nog toeslagen aanvragen tot de datum waarop hun uitstel loopt.

Hoe gebeurt de uitbetaling?
Wie huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget achteraf aanvraagt, krijgt na afloop van het jaar in één keer het volledige bedrag aan toeslag. Dat bedrag is definitief, omdat na afloop van het jaar bekend is hoeveel iemand bijvoorbeeld verdient.

Nicole Back, algemeen directeur Dienst Toeslagen: “We vinden het belangrijk dat mensen die recht hebben op toeslagen, die kan ontvangen op de manier die past bij hun persoonlijke situatie. Voor de één is dat vooruit, voor de ander is dat achteraf. We herinneren mensen op verschillende momenten in het jaar op hun recht op toeslagen en aan het doorgeven van veranderingen. Door de deadline voor achteraf aanvragen te verruimen, willen we nog meer mensen in de gelegenheid stellen om gebruik te maken van toeslagen. Bijvoorbeeld op basis van hun definitieve aanslag inkomstenbelasting.”

(meer…)

De kennisgroep IBR IB niet-winst/LB/PH aanslag heeft een standpunt ingenomen over de berekening van de voorkoming van dubbele belasting onder het belastingverdrag tussen Nederland en België. Meer specifiek over de vraag of een schuld die verband houdt met een in België gelegen onroerende zaak, maar niet is verzekerd met een recht van hypotheek, in aanmerking wordt genomen bij de berekening.

Aanleiding
Belastingplichtige is woonachtig in Nederland en eigenaar van een in België gelegen onroerende zaak. De onroerende zaak behoort tot de rendementsgrondslag box 3. Ter financiering van de aankoop van deze onroerende zaak is belastingplichtige een geldlening aangegaan. De geldlening behoort ook tot de rendementsgrondslag box 3. Er is echter geen hypotheek gevestigd op de onroerende zaak. Als zekerheid voor de lening dient een effectenportefeuille.

Vraag
Moet sprake zijn van een hypotheekrecht om bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bij onroerende zaken gelegen in België rekening te kunnen houden met schulden?

Antwoord
Nee, er hoeft geen sprake te zijn van hypothecaire schulden. Bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt rekening gehouden met die onroerende zaak verband houdende schulden. (meer…)

Het Parlement heeft EU-regels ter coördinatie van sociale zekerheidstelsels goedgekeurd voor eerlijke toegang tot sociale zekerheid voor werkers die in een ander EU-land wonen of werken.

De langverwachte herziening van de regels ter coördinatie van de sociale zekerheid, waarover het Parlement en de Raad voorlopig overeenstemming hebben bereikt, voert duidelijkere criteria in om te bepalen welke sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op EU-werknemers die in een andere EU-lidstaat wonen of werken. Daarnaast moedigt de herziening de lidstaten aan om de nodige informatie tijdig uit te wisselen om fouten of fraude op te sporen, inclusief misbruikpraktijken zoals brievenbusfirma's.

De tekst is aangenomen met 511 stemmen voor, 87 stemmen tegen, bij 61 onthoudingen.

Werkloosheidsuitkeringen
De wet verduidelijkt hoe periodes van werk, zelfstandig ondernemerschap of verzekeringsdekking in verschillende lidstaten worden meegeteld bij de beoordeling van het recht op werkloosheidsuitkeringen. Mensen die naar een ander EU-land gaan om werk te zoeken, hebben recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende zes maanden van het land dat zij hebben verlaten. Deze periode kan worden verlengd tot het einde van hun uitkeringsrecht.

Voor grensarbeiders wordt verduidelijkt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de uitkeringen. Indien een grensarbeider gedurende een ononderbroken periode van 22 weken in loondienst, als zelfstandige en/of verzekerd is geweest in een andere lidstaat dan diens woonland, worden de uitkeringen betaald door het land waar hij werkt. (meer…)

Een belastingaanslag waarbij voor de jaren 2017 tot en met 2020 te veel inkomstenbelasting in box 3 is geheven, hoeft niet te worden verminderd als die aanslag definitief is komen vast te staan vóór het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Dat heeft de Hoge Raad vandaag beslist in twee zaken die als proefprocedures in het kader van een massaalbezwaarplusprocedure aan de Hoge Raad zijn voorgelegd.

In dit Kerstarrest is geoordeeld dat het in 2017 ingevoerde stelsel van heffing in box 3 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod en het eigendomsrecht. Daarom moeten aanslagen waarbij over meer dan het werkelijke rendement belasting is geheven, worden verminderd. In 2022 heeft de Hoge Raad al beslist dat dit niet geldt voor de mensen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt en van wie de aanslag dus al definitief vast stond vóór het arrest van 24 december 2021.

In de uitspraken van vandaag heeft de Hoge Raad beslist dat hij geen reden ziet terug te komen van die beslissing uit 2022. Ook is de Hoge Raad van oordeel dat er geen sprake is van discriminatie ten opzichte van de wel-bezwaarmakers en dat ook het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden.

Achtergrond
Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het zogenoemde Kerstarrest gewezen. Daarin is beslist dat het met ingang van 2017 ingevoerde stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod in het EVRM en het eigendomsrecht als bedoeld in het Eerste Protocol daarbij, als het door de wetgever bepaalde rendement (het fictieve, forfaitaire rendement) hoger is dan het werkelijke rendement. Aanslagen waarbij belasting is geheven over meer dan het werkelijke rendement moeten in zo’n geval worden verminderd. (meer…)

Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren (2016 tot en met 2018) in Duitsland en genoot uitsluitend verschillende Nederlandse (pensioen)uitkeringen. In zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor deze jaren heeft belanghebbende aangegeven dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (KBB) in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016-2018) moet worden aangemerkt. De Inspecteur wijkt bij de aanslagregeling hiervan af, omdat belanghebbende niet de vereiste inkomensverklaring in de vorm van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring (hierna: een modelverklaring) heeft overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat het voor belanghebbende onmogelijk is geweest om tijdig een modelverklaring te verkrijgen. Naar nationaal recht beoordeeld is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 21bis, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016-2018).

Het Hof heeft terecht overwogen dat de wettelijke KBB-regeling moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht. Het Unierecht staat er niet aan in de weg dat de wet in dit
geval voorschrijft dat een belastingplichtige bewijsstukken moet verstrekken aan de hand waarvan duidelijk en voldoende nauwkeurig kan worden beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden om als KBB te worden aangemerkt. Het Unierecht verzet zich naar het oordeel van het Hof echter tegen een te formalistische toepassing van de bewijsregel dat uitsluitend een modelverklaring kan dienen als bewijs: de Inspecteur had aan de hand van de door belanghebbende verstrekte bewijsmiddelen moeten beoordelen of voldoende duidelijk en nauwkeurig kan worden nagegaan dat materieel is voldaan aan de voorwaarden om als KBB te worden aangemerkt. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, wordt dit volgens het Hof niet anders door de omstandigheid dat niet is gebleken dat het voor belanghebbende onmogelijk is geweest om modelverklaringen te verkrijgen. (meer…)

Een Duits pensioen is in Nederland alleen belast voor zover de daarvoor betaalde premies mochten worden afgetrokken voor de heffing van Duitse inkomstenbelasting. Dat heeft de Hoge Raad vandaag beslist.

De zaak
De belanghebbende in deze zaak woonde en werkte van 1980 tot in het jaar 1997 in Duitsland. Daardoor was hij in die periode verplicht verzekerd op grond van de Deutsche Rentenversicherung (het Duitse pensioen). Belanghebbende woonde in 2018 het gehele jaar in Nederland. In dat jaar ontving hij uitkeringen wegens ouderdom op grond van het Duitse pensioen. De Inspecteur legde voor dat jaar aan hem een aanslag inkomstenbelasting op waarbij het volledige bedrag van die uitkeringen tot het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend.

Procedure bij het hof
Voor het hof was in geschil of terecht inkomstenbelasting is geheven over het volledige bedrag van de uitkeringen van het Duitse pensioen. Volgens de belanghebbende mag maar 45% van de uitkeringen in Nederland worden belast voor de inkomstenbelasting, omdat destijds in totaal ook maar 45% van de betaalde premies aftrekbaar was voor de Duitse inkomstenbelasting. Het hof gaf de belanghebbende gelijk. De Staatssecretaris stelde tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad is het met de uitspraak van het hof eens. Al voor het hof was komen vast te staan dat de Duitse Rentenversicherung is aan te merken als een pensioen. Voor zo’n buitenlands pensioen geldt, aldus de Hoge Raad, dat de uitkeringen alleen belast zijn voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting voor zover de betaalde pensioenpremies destijds in het buitenland voor de inkomstenbelasting aftrekbaar waren. Omdat de door de belanghebbende betaalde premies destijds maar voor 45% aftrekbaar waren voor de Duitse inkomstenbelasting, en voor 55% niet, zijn de uitkeringen voor 45% belast en voor 55% onbelast. Met het oordeel van de Hoge Raad is de uitspraak van het hof definitief. (meer…)

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft op 20 mei 2026 een brief gestuurd aan de directeur-generaal van de Belastingdienst over de verwerking van het BSN in betaalkenmerken (betalingskenmerken en vorderingsnummers).

De AP concludeert na onderzoek dat het gebruik van het BSN door de Belastingdienst voor dit doel niet noodzakelijk is. Dit geldt zowel voor het gebruik door de Belastingdienst zelf als het gebruik namens Dienst Toeslagen. Daarmee overtreedt de Belastingdienst de AVG en de UAVG. De AP heeft de Belastingdienst gevraagd om hiermee te stoppen.

De Belastingdienst heeft deze overtreding in 2025 in een brief aan de AP erkend. De Belastingdienst past de betalingskenmerken aan. Uiterlijk eind 2026 bevatten nieuwe betalingskenmerken geen BSN meer. Ook stopt de Belastingdienst met het gebruik van het BSN in vorderingsnummers. Volgens de planning gebeurt dat uiterlijk 2032.

Omdat de risico’s voor burgers beheersbaar zijn, stemt de AP in met deze planning. Daarbij houdt de AP er ook rekening mee dat de Belastingdienst ook andere verbeteringen moet doorvoeren naar aanleiding van problemen die de AP heeft vastgesteld.

Deze problemen kwamen aan het licht tijdens het geïntensiveerde toezicht van de AP op de Belastingdienst. Het gaat onder meer om problemen bij geautomatiseerde selectie en controle op logging. De risico’s voor burgers zijn daarbij groter. Daarom krijgen deze verbeteringen voorrang. (meer…)

Vanaf 1 mei 2026 gebruikt de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers van de Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is: NL04 RABO 0200 1122 44. Andere nieuwe rekeningnummers zijn:

  • NL04 RABO 0200 1152 51
  • NL04 RABO 0200 1249 51
  • NL04 RABO 0200 1444 48
  • NL04 RABO 0200 1445 45 (g-rekening)
  • NL04 RABO 0200 1816 96
  • NL04 RABO 0200 1818 90
  • NL04 RABO 0200 1841 21
  • NL04 RABO 0200 1966 34

Let op!
De nieuwe Rabobank-rekeningnummers zijn niet eerder te gebruiken dan 1 mei 2026. Tot die tijd gebruikt u de huidige ING-rekeningnummers. Zodra zij zijn overgestapt, staan de nieuwe rekeningnummers in alle berichten van de Belastingdienst. Bijvoorbeeld in de betaalinformatie die u krijgt bij een belastingaanslag of een rekening die u moet betalen. (meer…)

U kunt sinds 8 december 2025 kiezen om uw post van de Belastingdienst digitaal te ontvangen. Als u dit doorgeeft, ontvangt u uw digitale post voortaan via de Berichtenbox van MijnOverheid. Doet u niets? Dan blijft u al onze post ook op papier ontvangen.

U krijgt nog niet alle post digitaal
Kiest u voor digitale post? Dan krijgt u niet meteen al onze post in de Berichtenbox. We werken namelijk stap voor stap om veilig en zorgvuldig te digitaliseren. Dat betekent dat u sommige post al digitaal krijgt en andere post nog op papier. U krijgt wel steeds meer post digitaal. Zo verwachten wij in de zomer van 2026 brieven van autobelasting digitaal te versturen.

Welke post sturen wij direct alleen digitaal?
Wij beginnen met digitaliseren van de brieven over de inkomstenbelasting. Kiest u nu voor digitale post? Dan krijgt u de brief waarin wij u vragen aangifte inkomstenbelasting 2025 te doen niet meer op papier.

Welke post blijft papieren post?
Sommige post van ons is zo belangrijk voor u dat wij dit op papier zullen blijven versturen. Bijvoorbeeld als u op heel korte termijn moet reageren. Of moet betalen, zoals een dwangbevel. (meer…)

De enkele omstandigheid dat een belanghebbende bij het indienen van zijn digitale bezwaarschrift zijn e-mailadres in het verplichte veld van het online contactformulier heeft vermeld, betekent niet dat hij kenbaar heeft gemaakt langs die elektronische weg voldoende bereikbaar te zijn voor correspondentie in de bezwaarprocedure. Als de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk naar dit e-mailadres is verzonden, is die uitspraak dus niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak
De heffingsambtenaar heeft in juli 2022 aan de belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslagen door op de website van de gemeente een daarvoor bestemd online contactformulier in te vullen en digitaal aan de heffingsambtenaar te verzenden. In het formulier heeft belanghebbende de verplichte velden ingevuld, waaronder ook de vraag naar zijn e-mailadres. De heffingsambtenaar heeft de uitspraken op bezwaar van 11 november 2022 per e-mail aan het opgegeven e-mailadres van belanghebbende verzonden.

Begin 2023 heeft de belanghebbende voor de tweede keer bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. De heffingsambtenaar heeft deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat tweemaal bezwaar maken tegen dezelfde aanslagen niet mogelijk is. Tegen deze uitspraken op bezwaar heeft de belanghebbende beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep verkort, zonder zitting, afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard. (meer…)