Duidelijkere regels sociale uitkeringen voor mobiele werknemers in de EU

Het Parlement heeft EU-regels ter coördinatie van sociale zekerheidstelsels goedgekeurd voor eerlijke toegang tot sociale zekerheid voor werkers die in een ander EU-land wonen of werken.

De langverwachte herziening van de regels ter coördinatie van de sociale zekerheid, waarover het Parlement en de Raad voorlopig overeenstemming hebben bereikt, voert duidelijkere criteria in om te bepalen welke sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op EU-werknemers die in een andere EU-lidstaat wonen of werken. Daarnaast moedigt de herziening de lidstaten aan om de nodige informatie tijdig uit te wisselen om fouten of fraude op te sporen, inclusief misbruikpraktijken zoals brievenbusfirma’s.

De tekst is aangenomen met 511 stemmen voor, 87 stemmen tegen, bij 61 onthoudingen.

Werkloosheidsuitkeringen
De wet verduidelijkt hoe periodes van werk, zelfstandig ondernemerschap of verzekeringsdekking in verschillende lidstaten worden meegeteld bij de beoordeling van het recht op werkloosheidsuitkeringen. Mensen die naar een ander EU-land gaan om werk te zoeken, hebben recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende zes maanden van het land dat zij hebben verlaten. Deze periode kan worden verlengd tot het einde van hun uitkeringsrecht.

Voor grensarbeiders wordt verduidelijkt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de uitkeringen. Indien een grensarbeider gedurende een ononderbroken periode van 22 weken in loondienst, als zelfstandige en/of verzekerd is geweest in een andere lidstaat dan diens woonland, worden de uitkeringen betaald door het land waar hij werkt. Lees verder

Beantwoording prejudiciële vraag over berekening heffingskorting voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar belastingplichtig is in Nederland

Vandaag (15-11-2024)  heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de navolgende vraag:
“Hoe moet het inkomstenbelastingdeel en het premiedeel van de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het premiedeel van de algemene heffingskorting worden berekend voor een persoon die slechts een gedeelte van het jaar belastingplichtig is in Nederland en in de niet-Nederlandse periode niet-Nederlands inkomen heeft genoten?”

De Hoge Raad beantwoorde de vraag als volgt:
“Voor een persoon die slechts gedurende een deel van het jaar binnenlands belastingplichtig is geweest en de rest van het jaar in het geheel niet belastingplichtig is geweest in Nederland, moeten het inkomstenbelasting- en premiedeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en het premiedeel van de algemene heffingskorting, ook onder de met ingang van 2019 geldende wettelijke regeling, uitsluitend worden berekend op basis van het arbeidsinkomen respectievelijk het belastbare inkomen uit werk en woning dat is genoten in de periode van binnenlandse belastingplicht.”

Het betrof hier een vergelijkbare zaak als een door Robelco Tax Services voor één van zijn relaties aanhangig gemaakte procedure. Lees verder

Einduitspraak prejudiciële vraag berekening premiedeel ouderenkorting

Op 30-05-2024 heeft de Rechtbank haar einduitspraak gedaan inzake de navolgende prejudiciële vraag:
“Hoe moet voor een buitenlands belastingplichtige die (een deel van het jaar) premieplichtig is in Nederland, het PVV-deel van de ouderenkorting worden berekend?”

De Hoge Raad beantwoorde deze vraag eerder als volgt:
“Voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001, moet de heffingskorting voor de volksverzekeringen, evenals de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, worden berekend op basis van het bedrag van de standaardheffingskorting. Voor zover het om inkomen uit werk en woning gaat, moet de van die korting deel uitmakende ouderenkorting worden vastgesteld op basis van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland van de belastingplichtige als bedoeld in afdeling 7.2 Wet IB 2001 (het binnenlandse inkomen). De aldus berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen moet op grond van artikel 2.6a van de Regeling Wfsv tijdsevenredig worden verminderd naar rato van de periode van premieplicht in het kalenderjaar als het gaat om iemand die, anders dan door overlijden, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar premieplichtig is.”

De Belastingdienst publiceerde hierover het volgende bericht op 24-05-2024:
“Een uitspraak van de Hoge Raad heeft mogelijk gevolgen voor aanslagen die opgelegd zijn naar aanleiding van C-aangiften (niet-inwoners die buitenlands belastingplichtig en/of premieplichtig in Nederland zijn) en M-aangiften (migratie) die u voor uw klant deed. Het maakt daarbij uit of u die aangifte vóór of na 1 april 2024 heeft ingediend. De Belastingdienst doet onderzoek naar de gevolgen van de uitspraak op lopende herzieningsprocessen (navordering, bezwaren en verminderingen).”

De Rechtbank oordeelt als volgt:
“De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad biedt duidelijkheid. Voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), zoals belanghebbende, moet de heffingskorting voor de volksverzekeringen, evenals de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, worden berekend op basis van het bedrag van de standaardheffingskorting. Voor zover het om inkomen uit werk en woning gaat, moet de van die korting deel uitmakende ouderenkorting worden vastgesteld op basis van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland van de belastingplichtige als bedoeld in afdeling 7.2 Wet IB 2001 (het binnenlandse inkomen). De aldus berekende heffingskorting voor de volksverzekeringen moet op grond van artikel 2.6a van de Regeling Wfsv tijdsevenredig worden verminderd naar rato van de periode van premieplicht in het kalenderjaar als het gaat om iemand die, anders dan door overlijden, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar premieplichtig is.” Lees verder

» Pagina 1 van 3
1 2 3